Motorisch leren: het (aan)leren van een complexe beweging

28-04-2016 Tim Knaapen

Als fysiotherapeut en trainer ben ik met grote regelmaat aan het schaven aan een bewegingspatroon. Ik wil het ruimer, sneller, beter gecontroleerd, vloeiender. Het liefste wil je elke trainingssessie progressie boeken maar helaas, motorisch leren is niet lineair. Soms zijn de trainingen waarin het meeste variatie in uitvoering zit, en de beweging steeds niet optimaal is/mislukt, de trainingen waar het meeste geleerd wordt. Ik neem jullie graag mee in mijn gedachten over 2 belangrijke punten over dit onderwerp die sterke onderlinge samenhang vertonen: feedback en manieren van (aan)leren.

Feedback

Hoe verpak je de boodschap? Feedback die gericht is op een deelaspect van het lichaam (intern gerichte feedback: bijvoorbeeld de hoek van een gewricht of spieren die aangespannen moeten worden) heeft overwegend een minder goed effect op het veranderen van een bewegingspatroon dan feedback die gericht is op de ruimte om je heen (extern gerichte feedback). En logisch ook, we bewegen niet in spieren maar in bewegingspatronen. 

Beeldspraak werkt heel goed om een juist bewegingspatroon uit te lokken. Denk aan het verschil tussen de cue: strek je rug vs een trotse borst. Zeer waarschijnlijk dat je met de laatste een betere strekking krijgt dan met de eerste. De feedback bij hardlopen om op ‘hete kolen’ te lopen heeft automatisch een kort(er) grondcontact tot gevolg.

Frequentie: na elke herhaling? Liever om de 5 a 10 herhalingen. Waarom? Het individu heeft tijd nodig om een concept te ontwikkelen van de beweging en stuurt zichzelf bij aan de hand van interne feedback en het resultaat van de beweging. Het nadeel van feedback na elke herhaling? De atleet raakt afhankelijk van externe input. Dat maakt  de kans op falen onder druk van competitie groter.

Het leerproces

Impliciet vs expliciet leren van een beweging

Expliciet leren wil zeggen dat je kennis vergaart over de deelaspecten van de beweging. Oftewel, cognitieve input. Kennis over hoeken, standen, actieve spieren en gewrichtsbewegingen. Leuk om te weten maar het gevaar van dergelijke kennis is dat je tijdens het motorisch leerproces een deel van het brein (de frontale cortex) belast met informatie die bij het uitvoeren van de beweging voor een conflict kan zorgen. Bij bewegen moet je niet denken maar doen.

Bij impliciet leren draait het gevoel van de beweging en om het resultaat. Hier wordt aanspraak gemaakt op een meer conceptueel deel van het brein. Een impliciet aangeleerde beweging blijkt onder wisselende omstandigheden meer robuust en stabiel omdat er minder kans op ruis is vanuit de frontale cortex.

Samengevat

Verzand niet in technische details en “don’t overcoach movement”. Bij het aanleren van een beweging moet de focus liggen op de ruimte en het resultaat, oftewel impliciet leren (gevoel en resultaat). Waarom? Een impliciet aangeleerde beweging is onder stress meer stabiel. Door het geven van extern gerichte feedback (ruimte, gevoel, beeldspraak) wordt het impliciete leerproces gevoed. Geef niet na elke herhalingen feedback maar laat de atleet eerst de beweging een aantal keer uitvoeren zodat er een concept ontstaat van de beweging.

 

Tim Knaapen

About Tim Knaapen

Tim is the physical therapist of UnScared. He combines a hands-on approach with corrective exercises and (sport specific) strength training to achieve his primary goal: improving the quality of movement. As a former member of the Royal Netherlands Marine Corp he has seen his fair share of movement and can also rely on his experience as a sprint and hurdle coach. In his current practice he busies himself with rehabilitation of the general population and a wide variety of athletes. Also: he likes to eat, and his tapeworm keeps him lean.

Leave a comment